Strijd tegen tuberculose moet van dichter gevolgd worden

0
1229

We weten niet goed waar en wanneer tuberculose nieuwe slachtoffers maakt. Als we die stille doder willen terugdringen, moeten we haar verspreiding van nabij gaan volgen, zegt de Zambiaanse onderzoekster Chanda Mulenga. Zelf bestudeerde ze de strijd tegen tbc in een stadsdistrict in Zambia, en vond ruimte voor verbetering. Haar aanbevelingen leverden haar een doctoraat op aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Universiteit Antwerpen.

Tuberculose, de gevreesde langzame moordenaar van vorige generaties, heeft tot een eind in de twintigste eeuw ook bij ons grote aantallen mensen doen wegteren. We konden Mycobacterium tuberculosis uiteindelijk terug dringen met antibiotica en met economische vooruitgang: mensen die een comfortabel leven leiden, weldoorvoed en in goede gezondheid, zijn in staat om de tuberculose-bacil te onderdrukken, zelfs als ze ermee besmet zijn. Pas in armoede en ellende breekt de ziekte door en worden patiënten (zeer) besmettelijk voor hun omgeving.

Maar grote delen van de wereld leven wel in armoede. Tuberculose heerst er nog steeds. Wereldwijd is de ziekte, met bijna twee miljoen doden per jaar, nog lang niet onder controle. Bovendien worden exemplaren van de bacil steeds vaker resistent tegen één of meerdere van de gebruikte geneesmiddelen, en af en toe tegen allemáál. Tot nu toe heeft men met geluk en quarantaine kunnen verhinderen dat die totaal onoverwinnelijke bacillen oversprongen op nieuwe slachtoffers, maar de multiresitente (die tegen meerdere middelen bestand zijn), rukken wel op.

Daar komt nog hiv bij: wie met hiv besmet is, is veel gevoeliger voor tbc, en andersom. Zorgwekkend, zeker omdat we niet in detail weten waar en wanneer tbc zich verspreidt, en dus ook niet waar we het beste kunnen ingrijpen om dat te voorkomen. Een groot probleem daarbij is dat de bacil al ,naar volgende slachtoffers kan overspringen voor de patiënt weet dat hij/zij besmettelijk is. Kort na de komst van hiv, in 1993, zag de Wereldgezondheidsorganisatie zich gedwongen om de heropflakkering uit te roepen tot wereldwijde noodtoestand.

Meestal wacht men passief tot een geval zich aandient, en behandelt men dat dan. Dat helpt de patiënt in kwestie, maar de epidemie wordt er blijkbaar niet mee teruggedrongen.

Mulenga onderzocht de toestand in het Zambiaanse stadsgewest Ndola, waar men ook werkt met de strategie van behandeling-onder-direct-toezicht. Ze stelde vast dat de resistentie tegen de eerstelijns middelen met 9% nog meeviel. Voor het eerst mat ze de resistentie tegen tweedelijns middelen: die bleek er in Ndola gelukkig niet te zijn. Met moleculaire technieken keek ze ook hoe de bacillen bij de patiënten met elkaar verwant waren, waaruit ze kon leren dat de meeste mensen recent besmet werden.

Meer zorgwekkend was haar vaststelling dat 7 patiënten op 10 het bezoek aan de dokter uitstelden, ook al vermoeden ze dat ze tbc hadden. Intussen waren ze vaak besmettelijk. De artsen zorgden ervoor dat ze hun middelen trouw namen, maar drongen nauwelijks aan op sputumstalen om het verloop van de ziekte te volgen, en om te controleren op resistentie.

Besluit: de aanpak van passief wachten op gevallen heeft in Ndola al bij al redelijk gewerkt, maar een betere opvolging is nodig om het aantal nieuwe besmettingen en resistenties omlaag te krijgen. En dat zal nodig zijn als we de ziekte willen terugdringen, wat toch een van de millenniumdoelstellingen is.